Ger Weerd bezorgde me onderstaand boeiende verhaal.

Het is een fragment. Het hele boekje is te vinden in de bieb en her en der ook te koop.

Fragment uit het boekje “Chocolade, witbrood en tranen”,  Zeeuwse verhalen over de bevrijding. Het boekje is uitgebracht in 1994, ter gelegenheid van 50 jaar bevrijding van Zeeland en is samengesteld door de PZC met ingezonden herinneringen aan de bevrijding van Zeeland.

Sjaak van der Lijke, heeft ook een verhaal geschreven over hoe hij met zijn ouders, broer, grootmoeder en tante, gevlucht is uit Draaibrug vanwege de beschietingen.

 

 

 

 

 

 

Hier kunnen we niet blijven.

 

Mijn vader, mijn moeder, mijn broer Adri, die 14 jaar ouder is dan ik en eigenlijk naar Duitsland moest en ik, Sjaak, 6 jaar, woonden in september 1944 aan de Langeweg in Draaibrug (Aardenburg). In Draaibrug kwamen de wegen van Oostburg, Sluis en Aardenburg samen. Ik zag bijna dagelijks wat van de oorlog. In Draaibrug was een afdeling van de Duitse cavalerie ('t pèrevolk) gelegerd in de remises van de SBM. Mijn vader werkte bij de SBM en wij, kinderen, speelden er tussen Duitse tuigen en in wagons en loodsen. Thuis waren er bijna voortdurend Duitsers ingekwartierd; ze sliepen op onze ruime zolder. In die septemberdagen was Kurt Schmidt bij ons.

Twee Duitsers waren met een motor met zijspan in hun 'eigen' mijnenveld vlak buiten Draaibrug voorbij de bocht naar Aardenburg gereden. Wij, de kleine jongens hadden hun kruisen met de helmen erop in het land gezien. Er was een SS-officier in huis geweest, in onze mooie voorkamer nog wel. Hij had een Russische oppasser. Zestien jaar was hij nog maar en hij kende maar één woord: tellöore (is bord), dat had hij in Vlaanderen geleerd vertelde mijn moeder, toen hij daar was. De Duitsers trokken terug, zei m'n vader en nu waren ze bij ons. De paarden waren mager en de soldaten zagen er vuil en vies uit. De SS­ commandant hoorde bij het afweergeschut dat de soldaten voor onze deur hadden opgesteld. Als er vliegtuigen overvlogen schoten de Duitsers daarop en 's avonds lag ik dan op mijn buik achter de voordeur en zag door de smalle raampjes het lichtspoor. Net vuurwerk, prachtig vond ik dat.

Plotseling werd ik die morgen uit het grote bed beneden gehaald. "Ze schieten", zei mijn vader en bracht me in onze kelder. Glas rinkelde en er was veel lawaai. Kurt zat in de kelder en mijn moeder was er gelukkig ook. Kurt zei hoe we moesten zitten; hoofd tussen de benen naar beneden, handen gevouwen in de nek. Ik hoorde telkens het fluiten van de granaten. En dan doffe inslagen. De grote mensen waren bang.

Toen het voorbij was lagen er trechters van de granaten voor en achter de huizen 'keurig' op een rij. Een geweldige trechter lag bij het varkenskot. Het varken was dood. De pannen waren voor een deel van het dak. De ramen waren kapot; een granaatscherf zat in de muur.

Mijn vader liet de rolluiken zakken. "Hier kunnen wij niet blijven", zei hij. "Ze hebben het kruispunt gemist en ze zullen weer schieten". Ze, dat waren de Canadezen, die vanaf Stroobrugge (B) hadden geschoten wist ik later.

Zo trokken we, mijn tante was er nu ook bij en mijn nicht met een fiets, met mijn groene kruiwagentje met daarin dekens en wat huisraad langs de weg naar Oostburg.

Bij de eerste weg gingen we linksaf en kwamen op de boerderij van Buyze. We sliepen achter in de schuur in het stro. Voorin lagen veel vluchtelingen uit Eede. Het huis was bedekt met een groot rood kruis. Als ik mij aan de rand van een onderdeur optrok kon ik zien dat de gewonden met legertrucs door de Duitsers werden aangevoerd. Onder bloed en blubber zaten ze en ik zag hoe ze het huis werden binnengedragen. Mijn moeder was boos, omdat ik keek. Kinderogen zien gewonde soldaten kennelijk anders, want ik vond het maar wat bijzonder! De schuur werd aan de voorkant in de nacht geraakt door een voltreffer. Er waren doden en gewonden.

  

"Hier kunnen wij niet blijven", zei mijn vader. En met het groene kruiwagentje en alles wat erbij hoorde, trokken we die dag langs de Diomededijk tot over het afwateringskanaal. Bij Wannes de Clerq konden we in een pas aangelegde schuilkelder van biels en pakken stro gemaakt. Die nacht hoorde ik steeds 'geklepper'. 's Morgens bleek, dat de schuur van Van Dixhoorn aan de overzijde van het kanaaltje in brand was geschoten. Het golfplaten dak was die nacht aan stukken 'geklepperd'. De brug was door de Duitsers opgeblazen en op onze schuilkelder stond licht Duits geschut.

"Hier kunnen we niet blijven", zei mijn vader. Met mijn broer ging hij met het kruiwagentje op pad. Wij gingen later over de Loodijk. Een dijk met aan één kant munitiebunkers, wist ik later. Toen kwam daar die Engelse jager. Hij vloog laag over de dijk, terwijl wij in de sloot naast de dijk lagen. Ik zag de piloot, de mitrailleurkogels ketsten op het wegdek. Het vliegtuig maakte aan het eind van de dijk een wijde boog. Het vloog nogmaals ratelend aan ons voorbij. Ik zwaaide naar de piloot; de volwassenen huilden.

Toen we verder getrokken waren, kwamen we op de boerderij van Possenier bij Terhofstede. Mijn vader en mijn broer waren er al en veel vluchtelingen uit Sluis. In de schuur waren enkele Duitsers, hun aanvoerder was pas 18 jaar, vertelde mijn broer later. Toen ze de deken uit het groene kruiwagentje haalden, zaten er gaten in. Voor ons uit hadden ze kennis gemaakt met dezelfde jager. Mijn vader en broer waren halsoverkop onderaan gerold; de kruiswagen stond midden op de weg. Een paard voor een kar werd doodgeschoten, zei m'n vader. Een auto stond in brand, zei m'n broer. Een Duitse auto. En ik keek naar de gaten van de mitrailleurkogel in de deken.

In de grote kelder schoven de vluchtelingen uit Sluis wat op. Daar werden we op een morgen (1 november) bevrijd. De Canadezen kwamen met de bajonet op het geweer in volle bepakking de menne van de boerderij opgeslopen. De Duitsers gaven zich over en werden ontwapend. Mijn broer sprak wat Engels; wij kregen wentelteefjes en chocolade en de mannen rookten sigaretten. We waren bevrijd.

Enkele dagen lager gingen we op zoek naar m'n opa. Hij woonde op de hoek van de kontescherpen bij Retranchement. Een dronken Canadees zwaaide met een pistool. Hij had mensen in de kast opgesloten. Mijn opa zat onder de tafel. De Canadees stond voor mij met het pistool. Ik zie tranen en mijn moeder daartussen. We waren vrij.

Van Possenier reden we met een kar en een paard de weg terug, die we gekomen waren. Het rode kruis lag bij Buyze niet meer op het dak. In de Langeweg zat ik naast mijn vader en mocht het paard mennen. Ik zag ons huis met planken voor de ramen en pannen van het dak. Ik was heel trots.

"De oorlog is voorbij", zei m'n vader.